Maria Daïf Rouhi ya Casa… *
01.02.2018
Maria Daïf over haar stad Casablanca
Ik zeg vaak, met een bij Zola geleende uitdrukking, dat Casablanca de buik van Marokko is. Om de pols van het land te voelen, is een onderdompeling in de ontembare metropool onvermijdelijk. Casablanca – verzamelbak van een massale rurale exodus, laboratorium voor kleine en grote beleggers, speeltuin voor projectontwikkelaars, kweekbodem voor zoveel ellende, gul als men de moeite neemt wat dieper te graven, zonder hart voor hem of haar die geen cash heeft – is in haar eentje de condensatie van de tegenstrijdigheden die het hele koninkrijk doorkruisen en definiëren.
Casablanca is moeilijk te definiëren. Moeilijk een identiteit te geven, een cachet, zoals de toeristen die hun neus voor haar ophalen graag zeggen. De stad ontsnapt aan elke uniformiteit. Ze transformeert van straat tot straat, van seizoen tot seizoen, van dag tot dag. Zelfs in de meest ruime zin is er geen typische Casablancais of Casablancaise. De inwoners van Casablanca, gevormd door de paradoxen van hun stad, schipperen tussen liberalisme en conservatisme, zonder echt te weten waar de wind hen voert. Ze leven van dag tot dag.
Dat Casablanca verscheurd is, dat zie je met het blote oog, en je moet geen profeet in eigen stad zijn om te weten dat diezelfde verscheurdheid de Janus-achtige energie levert waarvan alleen de stad het geheim kent: een tegelijk gewelddadige en creatieve energie.
Die twee facetten van Casablanca vechten om voorrang. De meest gevaarlijke stad in het land is verrassend genoeg ook de hartelijkste. De stad waar vrouwen het meest op straat belaagd worden is ook de stad waar je de meeste actieve, autonome vrouwen aantreft. De stad waar elke derby een rel is, is dezelfde stad waar de creativiteit het verrassendst is.
Zo is Casablanca dus, in de ogen van degenen die erdoor gepassioneerd zijn. Haar beste kant maakt haar slechtste kant goed. Ze wordt eeuwigdurend verlost. Zonder twijfel is het dat wat haar zo vreselijk menselijk maakt.
Sinds kort neemt ze nieuwe kleuren aan. Bij de rurale immigratie heeft zich de gedwongen of gekozen immigratie van nieuwe gemeenschappen gevoegd. Senegalezen, Congolezen, Syriërs, Chinezen, Filippijnen, Thailanders, Spanjaarden, Fransen… zoeken er een tijdelijke schuilplaats, een job, het avontuur. En uiteindelijk blijven ze er, stichten een familie, verwerven een (t)huis – de één al makkelijker dan de ander – en voorspellen een sereen kosmopolitisch Casablanca voor de jaren die komen. Dat dit alles niet zonder botsingen zal geschieden, spreekt vanzelf: laten we niet vergeten waar we zijn.
Casablanca geeft niets voor niets. Ze opent haar armen voor wie een naam heeft, cash of tchatche – een radde tong. Wie haar slechts tranen biedt, verbant ze zonder scrupules. Ze houdt niet van de onderdrukten, noch van lijdende zielen. Ze verkiest veroveraars, welke wapens die ook dragen. Niemand woont in vrede in Casablanca. Iedereen accepteert deze stand van zaken, zoals men een goddelijk noodlot accepteert. Uiteindelijk probeert men in Casablanca zijn slag thuis te halen, dat is alles. Aan elk zijn techniek en ik heb de mijne.
Casablanca met open armen nemen. Er het beste zoeken, het onvermijdelijk ook vinden. Blijven zoeken. Vooral niet doen alsof je het ergste niet ziet. Integendeel, er de confrontatie mee aangaan. Geloven, naïef misschien, dat Casablanca zich uiteindelijk van haar mooiste kant zal tonen.
Rouhi ya Casa.
- In de twee betekenissen. 1. Ga, o Casablanca. 2. Mijn ziel, mijn liefde, o Casablanca. Een
verwijzing naar Rouhi ya Wahrane, Khaleds beroemde rai-lied.
Maria Daïf (°1972 Casablanca) is journaliste en cultuurmanager. Sinds 2015 is ze directrice
van‘La Fondation Touria et Abdelaziz Tazi pour la promotion et le soutien de la culture’, en
van het kunstencentrum l’Uzine in Casablanca.