Ameziane Ferhani
Algiers, humor, lef en droom

01.02.2020

Terwijl de straten van Algiers en van het land begonnen te schitteren met de kleuren en klanken van een nooit geziene volksbeweging, vernielden grote machines de slachthuizen van de stad en tegelijkertijd ook een geschiedenis en een droom. In 1929 kwam de wereldcrisis de tegenspoed van de Algerijnse mannen en vrouwen nog verergeren. Met het oog op de honderdste verjaardag van de kolonisatie het daaropvolgende jaar werden roemrijke gebouwen opgetrokken zoals het regeringspaleis, het museum voor schone kunsten, het hotel Aletti dat feestelijk werd geopend door Charlie Chaplin en ook de bekende slachthuizen die deel zijn gaan uitmaken van het industrieel erfgoed van de stad en van de stadslegende. Toen er rond 2010 sprake van was om er nieuwe te bouwen, droomden kunstenaars en intellectuelen ervan om ze om te vormen tot een centrum van creatie en disseminatie. Maar paradoxaal genoeg ging die droom in rook op toen alle dromen aan de oppervlakte kwamen!

En neen dus, Algiers zal in tegenstelling tot haar witte nichtje Casablanca geen cultuurfabriek hebben in haar vroegere slachthuizen. Geconfronteerd met deze enorme tegenvaller ging het leven voort in een stad waar men gewoon is om te zeggen dat ze al andere tegenslagen hebben gekend. Was het niet hier dat de Franse troepen - ze waren amper geland - de poppentheaters verboden, de medressen vernietigden en de wijk van boekhandelaars, kalligrafen en miniatuurschilders, Qassaïria, met de grond gelijk maakten? Was het ook niet hier dat de ideeën die werden gedragen door een wind van verzet zich ondanks alles ontplooiden, waar het orale erfgoed werd vastgelegd door het neer te schrijven; de oude muziek werd beschermd door ze te vernieuwen; de moderniteit van de vijand werd gebruikt in het theater, de schilderkunst en de film, om ze zo tegen hem te keren? De slag om Algiers was ook een lange culturele strijd. En later, toen de kunst moest worden verdedigd tegen de haatpredikers ten koste van het eigen leven of verbanning, kwamen de verdedigingsreflexen weer naar boven.

Ondanks haar dwalingen in een complex spel van strengheid en openheid, heeft de stad ook vandaag nog haar fantastische energie behouden, als een bezielende passie die over haar hellingen en over haar inspanningen stroomt om haar dagelijkse leven te bevloeien, zoals de kunst van humor, lef en droom die haar kenmerkt. Er worden gewaagde romans gepubliceerd die in het diepste van de samenleving binnendringen, maar die vaak bekender zijn in het buitenland. Er worden vernieuwende films gemaakt die langs internationale festivals toeren maar die hier weinig worden gezien door de ineenstorting van het bioscopennetwerk. Er worden sprankelende theaterstukken gemonteerd die te weinig worden gespeeld. Er worden concerten aangeboden in genres die tot het erfgoed behoren en moderne genres, jazz, blues, rap, rock en techno verrijkt met Algerijnse klanken. Maar ook hier ontbreekt het aan zalen. Er worden exposities van hedendaagse kunst getoond met jonge en talentrijke signaturen. En ook hier zet de afwezigheid van een kunstmarkt hen ertoe aan om naar het buitenland te trekken.

Kortom, terwijl Algiers uitgroeit tot een levendige smeltkroes van creatie in het Maghrebijnse culturele continuüm, die vruchtbare verbindingen maakt tussen erfgoed en moderniteit, volgen de materiële voorzieningen niet. Kostbare werken worden verknoeid door gebrek aan financiering, knowhow en promotie. De economische crisis legt de toevoer van manna vanuit de overheid stil, de staat blijft de middelen in handen hebben, wat, in de afwezigheid van censuur, kan dienen om ‘lastposten’ in stilte af te voeren. In afwachting van een echte opening naar de particuliere cultuurindustrie volgen de kunstenaars de weg van hun verbeelding. Verenigingen strijden. Onafhankelijke ruimtes zien het daglicht en vooral, een nieuwe generatie van auteurs en makers, steeds meer vrouwen trouwens, geeft uiting aan haar visie en stem in een mooi momentum dat de volksbeweging begeleidt, maar ze ook voorafging en zelfs aankondigde. In het prachtige en toch keiharde licht van Algiers slagen duizend-en-een lichtjes erin om te schitteren.

Ameziane Ferhani (1954, Algiers) is journalist, schrijver en cultureel mediator, hij studeerde stadssociologie in Algiers, een stad waarvoor hij een passie heeft. Sinds de jaren 1970 is hij actief in de pers, waar hij sinds 2006 aan het hoofd staat van de pagina’s Arts & Lettres van de krant El Watan. Hij publiceerde een geschiedenis van het Algerijnse stripverhaal en twee bundels kortverhalen, ‘Traverses d’Alger’ (2015) en ‘Les couffins de l’équinoxe’ (2018), bij uitgeverij Chihab.