Duraid Abbas over theater maken en Solitary Confinement

terug naar Solitary Confinement


Strange Fruit, het jonge huisgezelschap van Moussem Nomadisch Kunstencentrum creëert producties die de grenzen aftasten tussen dans en theater, installatie en performance. Een maand voor de première van hun nieuwe voorstelling sprak ik met Duraid Abbas – een van de drie leden van het gezelschap - over het creatieproces, publiek, verbeelding, vertrouwen en eenzaamheid.

Het eerste wat Duraid me op het hart drukt als we ons gesprek starten is dat hij er zich niet echt comfortabel bij voelt om als enige geïnterviewd te worden. “Strange Fruit, dat ben ik niet alleen. We zijn een gezelschap en ik verkondig maar één stem. We werken niet vanuit afgebakende verantwoordelijkheden. In 2011 werd ik voor het eerst gevraagd door Moussem om te werken aan een performance, dat werd 1979. Het werd me toen snel duidelijk dat ik niet de enige maker was van het stuk. De anderen creëerden het stuk samen met mij, zij waren net zo goed regisseur als ik. En we beslisten ook samen over de belichting en de choreografie. We gaven de voorstelling samen vorm en we stonden samen op het podium. Zo is Strange Fruit ontstaan, omdat we als een team wilden werken en niet als individuen.”

Uit die ene samenwerking met Moussem groeide niet alleen een gezelschap, maar ook een wederzijds engagement: “Moussem hield blijkbaar van wat we deden met 1979 en dus vroeg Mohamed (Ikoubaân, directeur van Moussem, nvdr): “Wat heb- ben jullie nog in de aanbieding?” En voor we het goed en wel wisten hadden we vier projecten op tafel liggen en het engagement van Moussem om ons de komende vier jaar te ondersteunen. Momenteel werken we dus aan onze tweede productie, Solitary Confinement. We besloten dat we met deze voorstelling nog een stap verder wilden gaan dan met 1979 en dus zoch- ten we naast de steun van Moussem extra middelen. Want een voorstelling maken op één maand kan, maar het is wel een beetje gestoord, je verliest er je hoofd bij. Uiteindelijk krijgen we nu ook steun van de Vlaamse Gemeenschap, wat fantastisch is want het laat ons toe om op een gezonde manier aan de productie te werken.”

Ik pols hem naar de naam van het gezelschap en vraag of ze zich bewust zijn van de historische geladenheid er van (Strange Fruit is de titel van een jazznummer dat een aanklacht was tegen de lynchpraktijken in het Zuiden van de States en dat wereldberoemd werd in de versie van Billie Holiday, nvdr.). “De naam dook spontaan op tijdens die eerste meeting met Moussem. We pingpongden wat over en weer — “Laat het ons zwart/wit noemen of wit/zwart” — en plots riep ik: ‘Strange Fruit!’ En later, toen ik wat dieper nadacht over de naam vond ik het steeds meer kloppen. Weet je, hier als een vreemdeling te werken in dit land, geeft me soms het gevoel zelf ‘Strange Fruit’ te zijn.” Duraid denkt even na en vervolgt dan: “En wat ook fijn is aan ‘Strange Fruit’ is dat het ook zo goed samenvat hoe we werken. Stel je een halve appel en een halve banaan voor die samen één geheel vormen, als een vreemd soort fruit. Dat is exact de manier waarop wij theater maken. We mixen twee ideeën, twee theorieën en maken er één beeld van. We zeggen iets, maar menen tegelijkertijd iets anders. Dit komt natuurlijk voort uit het feit dat ik theater leerde maken in Irak. Dat is de manier waarop we daar werkten: je zegt iets, maar eigenlijk bedoel je iets anders. We leerden altijd zeer omzichtig om te springen met onze woorden en wat we verbeeldden. Je neemt bijvoorbeeld een glas en je zegt ‘Cheers’ en je laat dan het glas vallen — dat staat dan symbool voor de regering die valt. We zochten constant naar dat soort metaforen, dat is typisch voor die cultuur.” Duraid lacht, maar hij voegt er onmiddellijk aan toe: “Mensen begrijpen ons hier vaak niet, dat is best moeilijk. Ze komen uit de voorstelling en zeggen: wat bedoel je nu eigenlijk? Mensen gebruiken hun verbeelding meer wanneer ze zich in een situatie bevinden waarin ze niet vrijuit kunnen spreken. De meesten — niet allemaal, maar toch — de meesten hier hebben een heleboel uitleg nodig. Maar ik hou er niet van om uit te leggen. Hier ga je naar een tentoonstelling en dan hangen de muren vol met tekst, alsof het werk niet meer voor zichzelf kan spreken. Alles moet verduidelijkt worden, ook in het theater: ‘Ik was in Irak en ik bracht lange tijd door zonder elektriciteit en water....’ Ik vind dat niet boeiend. Ik kan je een eenvoudig beeld geven dat net hetzelfde vertelt. Bijvoorbeeld een spartelende vis op het droge. Het beeld van die naar water smachtende vis, dat is voor mij als in Irak te zijn zonder water. Voor sommigen is het misschien ver gezocht, maar voor mij is dat een zeer helder beeld. Het publiek zou zijn verbeelding meer moeten gebruiken hier.”

Wat betekent het nu, om in alle vrijheid te kunnen werken? “In Libanon werd ik voor het eerst geconfronteerd met theater waar- in er vrijuit gesproken werd. Plots hoorde ik woorden als ‘fuck’ en ‘seks’ en ‘penis’. Dat was in 2002, ik was 22 jaar en ik wist niet wat ik hoorde. In Irak was dit totaal uit den boze. Maar uiteindelijk is het niet het gebruik van die expliciete woorden dat het theater interessanter maakt, het gaat er om dat je de optie hebt. En hier lijkt alles mogelijk, maar in werkelijkheid voel ik me hier niet echt vrijer om theater te maken dan in Irak. De druk van de marketing is hier bijvoorbeeld veel meer aanwezig. Je moet meer rekening houden met de smaak van het publiek, met wat kan aanslaan en wat niet. En hier heersen ook taboes. Soms ga ik hier naar het theater en dan denk ik: ik heb een tomaat nodig, dit is zo’n slecht stuk dat ik een tomaat wil gooien. Gewoon uit- drukking geven aan mijn opinie, in plaats van rustig naar buiten te wandelen en te zeggen: ‘het was leuk.’ Neen, het was niet leuk! Ik vond het een vreselijke voorstelling. En bij gebrek aan een tomaat loop ik gewoon naar buiten. Dan zeggen mensen tegen me: Duraid, dat kan je zomaar niet doen, midden in het stuk weglopen. Waarom niet? Naar het theater gaan vraagt een inspanning en dat moet je als maker au sérieux nemen. Ik eigen me als toeschouwer het recht toe om te reageren op wat ik zie. Soms kom ik buiten en dan kan ik wel dansen, dan denk ik: ‘dit was geweldig, laat me de handen van de kunstenaars kussen die dit gemaakt hebben!’ Ach, ik kom uit zo’n emotionele cultuur, ik heb het nodig om mijn gevoelens te tonen. Wij raken mensen aan, pakken hen stevig vast. Of we hen nu haten of van hen houden, onze contacten zijn nooit vrijblijvend. Maar hier is alles zo berekend. Mensen denken twee drie keer na vooraleer ze zich uiten. Ze lijken wel bang om hun mening te geven. Maar ik hou er juist van als iemand tegen me zegt: ‘Duraid, je kan beter dan dit.’”

Amar Al Bojrad leerde hij kennen in Bagdad, zo’n negen jaar geleden. Ze werkten samen in Irak, Jordanië, Syrië, werden uit- genodigd in Nederland. Ze kwamen naar Europa, traden op en besloten te blijven. Ze vroegen en kregen politiek asiel en leven en werken sindsdien hier. Sarah Eisa ontmoetten ze later toen ze hun eerste stappen in onze theaterwereld zetten. “Amar raakte bevriend met een muzikant, die op zijn beurt bevriend bleek met Guy Van Nueten. Amar trok zijn stoute schoenen aan, hij zocht Guy op en zei hem: ‘Guy ik werk aan een performance, ik heb geen geld, maar wil jij de muziek schrijven?’ En Guy antwoord- de: ‘Amar, ik vind jou wel sympathiek, kom binnen.’ En dus schreef Guy een stuk voor We do something about something else. Zo ontmoette ik op mijn beurt Guy. Uit deze samenwerking volgden ontzettend boeiende gesprekken en de goesting om opnieuw samen te werken. En dus creëert Guy nu samen met ons Solitary Confinement, en nu hebben we wel geld om hem te betalen. Wat ik ook geweldig vind is Guy’s achtergrond als filmcomponist. Ik ben gek op film. Ik probeer zoveel mogelijk te zien sinds ik in Europa ben, theater maar vooral ook film. Ik heb zo veel in te halen. Ik verbleef 27 jaar in Irak en daar was niets, geen internet, geen satelliet tv, geen art house cinema,... Er was maar één zender, al de rest was verboden. Dus beperkten we ons tot Rocky en dat soort platte Hollywoodfilms. Maar nu ontdek ik Bergman en David Lynch, Theo Angelopoulos en Béla Tarr. Dat is enorm inspirerend. En bij de eerste samenkomst met Guy zei hij: ‘ok mensen, laat ons een film maken!’ Dat idee sprak me enorm aan.”

In voorbereiding van Solitary Confinement besloten ze zichzelf een status van isolement op te leggen. Vijf dagen lang ontzegden ze zich elk menselijk contact en sloten ze zich op in een ruimte waar enkel wat basismeubilair, sanitair en eten voorhan- den was. Ieder van hen kreeg een opdracht: Duraid mocht geluidsopnames maken, Amar mocht tekenen, Sarah schrijven en Guy componeren. “De resultaten van dit experiment waren zeer rijk, maar de ervaring op zich was ontzettend zwaar. Ik dacht vooraf dat ik de enige zou zijn die een fijne periode tegemoet ging, want ik hou er wel van om alleen thuis te zijn. Maar ik botste al snel op de limieten van dit isolement. Er was natuurlijk geen enkele vorm van entertainment, ik kon geen films zien of boeken lezen, of muziek beluisteren, ik was totaal aangewezen op mezelf. En dat deed me helemaal uit mijn dak gaan. Ik kan een uur yoga doen en heel erg traag een banaan eten, ik kan het geluid van het kauwen op de banaan opnemen, maar wat dan? Dan blijven er nog meer dan 20 uren over. Amar is een extreem sociaal persoon, hij praat de hele tijd, hij kan niet stoppen met praten. Maar toen hij buitenkwam na die vijf dagen zei hij: ‘Wauw, dat was een van de mooiste ervaringen in mijn leven!’ We staarden hem allemaal vol ongeloof aan. Het was trouwens fantastisch dat Guy die ervaring met ons deelde, hij stond er op. Guy was de enige van ons die bijna niet at gedurende die vijf dagen en hij kwam blijkbaar ook nooit buiten. We hadden allemaal een klein balkon, dus af en toe konden we even frisse lucht scheppen, maar Guy hebben we geen enkele keer op het balkon gezien. Achteraf legden we alles samen en startten we de creatie van Solitary Confinement.”

Ik vraag hem waar het idee om een voorstelling te maken over eenzame opsluiting vandaan komt. “We lezen hier elke dag de krant, en we kijken of luisteren naar het nieuws, over Irak of Egypte. Maar dat betekent nog niet dat we ook echt weten wat er ginder gaande is. Uiteindelijk kijken we allemaal door een heel klein gaatje naar de wereld. En dat geeft me een heel eenzaam gevoel. Zelfs ik, als Irakees, begrijp als ik in Irak ben niet wat er gaande is. Wat ik ervaar, ervaar ik ook vanuit een heel beperkt perspectief. Ik ben zo klein, in dat immense land. En het voelt aan alsof iedereen alles ziet vanuit een heel eng perspectief. Het idee voor Solitary Confinement is uit dat besef gegroeid.”

Of hij gelooft dat kunst iets kan veranderen in de wereld? “Oh zo veel! Ik heb geleerd dat kunst iets teweeg kan brengen, ver- andering kan brengen. En ook al zie ik het tot nu toe niet echt gebeuren, toch geloof ik daar heel sterk in. In Irak schreven we teksten op de muren zoals: ‘Geef me lucht en theater en ik geef je een intellectuele maatschappij.’ Je kan een voorstelling maken die het publiek zo beroert dat het begint te protesteren, waardoor er iets verandert in de samenleving! We leerden op de theaterschool in Irak dat na een stuk van Brecht het publiek de zaal uit kwam en begon te demonstreren. Maar dan kom je hier en dan zie je dat het meer gaat om een avond plezier, over een glas drinken na de voorstelling.”

Theater maken gaat voor Duraid nog steeds over engagement, de inhoud is niet vrijblijvend. “Toen Amar me vroeg om 1979 te regisseren, over de oorlog tussen Iran en Irak, was mijn eerste reactie: alweer? Opnieuw een stuk over de oorlog? Maar uiteindelijk besloten we dat het nog steeds zinvol was om het over de oorlog te hebben. Niet omdat dat is wat er van ons als Irakezen verwacht wordt, maar omdat we daar iets over te zeggen hebben. Het werd mijn eerste samenwerking met Moussem en na één ontmoeting met Mohamed Ikoubaân zat het meteen goed. Ik zei hem: ‘Mohamed, verwacht je niet aan een documentair stuk, of aan een verhaal over Saddam en Khomeini, we gaan een stuk maken over het gevoel dat oorlog teweeg brengt bij gewone mensen.’ En Mohamed reageerde fantastisch, hij zei: ‘Weet je wat jongens, ik hoef geen grote concepten, ga gewoon de scène op en doe jullie ding.’ Het was geweldig om dat vertrouwen te krijgen en de logistieke ondersteuning. En dus maakten we 1979 en de reacties waren positief. En ook wij waren zeer tevreden met het resultaat. Mohamed ondersteunt niet gewoon kunstenaars uit de Arabische wereld, hij komt zelf uit die wereld en hij begrijpt heel erg goed hoe het daar aan toe gaat. Dat geeft een grote meerwaarde. Daardoor kan hij het vertrouwen geven dat je nodig hebt in een creatief proces. Voor ons als ma- kers is dat cruciaal. En nu opnieuw, met Solitary Confinement, is dat vertrouwen er.”

terug naar Solitary Confinement